EKV-lector Olma lid van commissie Raad voor Cultuur

augustus 16, 2017

Lector Sebastian Olma is toegetreden tot de commissie Ontwerpsector van de Raad voor Cultuur.

p_sebastian-olma_330
De commissie Ontwerpsector houdt zich bezig met de toekomstvisie van de Ontwerpsector vanuit drie perspectieven op cultuur (het artistieke, het maatschappelijke en het economische). In haar adviesaanvraag heeft de minister een aantal specifieke vragen over de ontwerpsector gesteld, onder andere over de afbakening van de deelsector e-cultuur.

Om tot een advies te komen, organiseert de commissie een aantal expertmeetings en interviews met smaakmakers, deskundigen en belanghebbenden uit de sector. Ook neemt de commissie zich voor om de ontwerpsector breed te bevragen via bijvoorbeeld een enquête, waarin de mogelijkheid wordt geboden om een bijdrage te leveren en een statement te formuleren.

De commissie brengt eind 2017 een preadvies uit over de Ontwerpsector. De Raad voor Cultuur draagt eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van het advies aan de minister. De verzamelde sectoradviezen vormen met elkaar één van de drie bouwstenen voor de discussie die volgend jaar wordt gevoerd over het cultuurbestel na 2020.


EKV – 12 mei – derde docentenworkshop

augustus 29, 2016

Beknopt verslag van de derde bijeenkomst

door Sander Jongen, theoriedocent en studieloopbaanbegeleider Beeldende Kunst (BA) AKV|St.Joost

WS3_Autonomie_Strook_1

Het thema van de derde docentenworkshop is onderzoek. In de introductie maakt lector Michel van Dartel duidelijk dat dit thema in de dagelijkse onderwijspraktijk veel voorkomt; maar wat betekent het nu eigenlijk binnen de hogeschool? In allerlei domeinen vindt er continue discussie plaats over wat goed onderzoek is en wordt er steeds geëvalueerd hoe het beter kan. Met deze bijeenkomst op donderdag 12 mei 2016 beogen de organisatoren van het EKV dan ook zeker geen consensus te bereiken over wat onderzoek binnen de hogeschool is, of zou moeten zijn, maar willen zij juist de verschillende opvattingen rond onderzoek expliciet maken zodat we binnen onze onderzoeksgemeenschap van elkaar weten welke opvattingen er bestaan.

WS3_Autonomie_Strook_2_AQ

Annemarie Quispel, theoriedocent bij AKV, OiO en promovendus aan Universiteit van Tilburg, geeft een uiteenzetting over de vragen die rond het thema onderzoek spelen. Zo woedt er al jarenlang een discussie over wat onderzoek in het HBO zou moeten zijn en worden er allerlei verschillende definities gehanteerd in het beleid van Avans, door de universitaire wereld, door de docenten en spelen er weer geheel andere aannames over onderzoek bij de studenten.

Voor deze middag introduceert Annemarie een paar centrale vragen, zoals: Wat is onderzoek? Hoe kun je onderzoekend vermogen bij studenten ontwikkelen? Wat is de rol van het lectoraatsonderzoek in het onderwijs? En wat zijn de ambities binnen het onderzoekend vermogen van de studenten? Een doel van onderzoek binnen het onderwijs kan zijn om het maakproces van de student, dat vaak een impliciete en intuïtieve aangelegenheid is, explicieter te maken. Het onderzoekend vermogen geeft dan structuur aan het maakproces, kan verdieping bieden en makers richting nieuwe thematiek doen bewegen. Maar er is ook een beperking aan wat we onderzoek kunnen noemen, want ‘verkenning’ en ‘nieuwsgierigheid’ zijn simpelweg onderdelen van het studeren en niet noodzakelijk ook onderzoek.

De verschillende vragen die Annemarie uiteenzet, worden met het publiek besproken. Bij de vraag hoe het onderzoekend vermogen bij de student ontwikkeld kan worden, wordt er opgemerkt dat Ann Van Der Auweraert in een eerdere bijeenkomst een metafoor heeft gebruikt rond de verhouding van wetenschappelijk en artistiek onderzoek. De wetenschapper / specialist graaft een specifieke kuil in de horizon van onderwerpen en doet dat zeer grondig en vele meters diep. De vormgever of kunstenaar is vaak geïnteresseerd om meerdere kuilen in de horizon te graven, die niet per se heel diep hoeven te zijn maar wel verschillende perspectieven op de thematiek geven. Iemand anders geeft aan dat onderzoek binnen de kunsten natuurlijk ook specialistisch kan zijn en wetenschappelijk onderzoek juist meer generiek.

Nog iemand uit het publiek geeft aan dat het HBO op zoek moet gaan naar een eigen definitie van onderzoek. Het HBO onderwijs zou zich juist niet moeten willen spiegelen aan het WO en heeft haar metier. Het goede en leuke van het HBO is dat naast het hoge theoretische niveau van het onderzoek, er altijd een praktische referentie aan gekoppeld is. Daarin zijn universiteiten en hogescholen complementair aan elkaar.

Hoe worden docenten en studenten bij het onderzoek van het lectoraat betrokken? De lectoren lichten toe dat er een aantal bijeenkomsten met de kenniskring en geïnteresseerde docenten worden georganiseerd. Studenten worden bij bijna alle onderzoeken binnen het lectoraat betrokken. Daarnaast denken de lectoren veelvuldig mee in visievorming en curriculumvernieuwing binnen de opleidingen en is er een nieuwe minor in ontwikkeling waarin lectoraatsonderzoek een belangrijk element vormt.

WS3_Autonomie_Strook_3_Eke

Vervolgens presenteren enkele onderzoekers van het lectoraat kort hun onderzoeksopzet en ontstaat er een dialoog met het publiek. Als eerste vertelt Eke Rebergen, docent en aankomend opleidingscoördinator bij CMD in Den Bosch, dat zijn onderzoeksvraag gericht is op de rol van autonomie in de ontwerppraktijk. Binnen de ontwerppraktijk is er altijd een gebied dat geen overlap heeft met wat vanuit de opdrachtgever wordt gewenst of geëist, maar waar wel nieuwe dingen ontstaan die van belang zijn voor de beroepscontext van de ontwerper. Eke refereert daarvoor bijvoorbeeld aan Adolf Loos, wiens teksten veel aanknopingspunten bieden om over specifieke opvattingen van autonomie voor de ontwerppraktijk na te denken. Het lectoraatsonderzoek van Eke is drieledig in opzet; een deel bestaat uit literatuurstudie, een deel uit uitdagingen en principes en binnen een derde deel worden voorbeeldcases met studenten verkend.

Uit het publiek komt de vraag waarom Eke het lectoraat nodig heeft? Zou hij dit onderzoek niet sowieso gedaan hebben? Eke antwoordt dat het lectoraatsonderzoek hem meer ruimte en vocabulaire bieden om deze thematiek binnen zijn onderwijspraktijk te ontwikkelen en hier opleidingsoverstijgend verdere verdieping en versterking te zoeken.

.WS3_Autonomie_Strook_4_Philippine

The Self as Infrastructure in Process is het centrale onderwerp van het onderzoek van Philippine Hoegen, docent aan AKV|St. Joost. Haar eigen performances zijn de basis voor het onderzoek, waarmee theoretische, praktische en discursieve vraagstukken rond ‘personhood’ worden verkend. Met dat laatste onderdeel wil ze studenten betrekken bij het doen van ‘performatief onderzoek’. Wat verstaan we onder ‘Self’ en wat is artistiek onderzoek naar die ‘Self’? De structuur van de academie gebruikt Philippine voor haar onderzoek, maar haar onderzoek maakt geen onderdeel uit van het curriculum, zodat het onderwerp non-hiërarchisch, en vanuit eigen vragen van de student kan worden opgezet. Er worden deelvragen getackeld door studenten zodat de student leert om een eigen methodiek te ontwikkelen.

Ook Philippine wordt de vraag gesteld of ze niet sowieso dit onderzoek zou hebben gedaan als het lectoraat er niet was? Nee, want het onderzoek is geen onderdeel van het lesprogramma. Daarnaast biedt de structuur van het lectoraat haar de mogelijkheid om een fotografiestudent als stagiaire nauw te betrekken bij de opzet van het onderzoek om zo de geïnteresseerde studenten goed te kunnen benaderen. Mensen uit het publiek vinden de methodiek interessant omdat het studenten in korte projecten de mogelijkheid geeft om deelvragen aan te pakken. Philippine wil beter begrijpen hoe je kennis kunt duiden die voortkomt uit dit type onderzoek.

WS3_Autonomie_Strook_6_Martine

Martine Stig, docent aan de Masteropleiding van AKV|St. Joost, heeft haar onderzoek “Vertigo” genoemd. Het is enerzijds een historische literatuurstudie; anderzijds richt haar onderzoek zich op haar eigen fotografiepraktijk. De dominantie van de ‘blik van boven’ staat centraal en hoe dit perspectief onze beeldcultuur beïnvloedt. De eerste plattegronden van vijfhonderd jaar geleden werden gemaakt met een imaginair oog van boven. Met de ontwikkeling van de luchtvaart voegde het lichaam zich bij dit oog, om er zich in de meest recente technologische ontwikkelingen weer aan te onttrekken. Denk hierbij aan drones zoals gebruikt in de Golfoorlog. Martine ontwikkelt een methode om een beeld van boven en van voren te laten samenvallen en bevraagt daarbij begrippen als ‘afstand’ en ‘alternatieve realiteit’.

Er wordt opgemerkt dat in de filosofie de blik van boven gelijk staat aan het objectieve, het onbelichaamde. Wat is je methode om juist dat subjectieve en belichaamde in dit perspectief te realiseren? Dat moet gebeuren door het beeldende onderzoek als fotograaf. Nog iemand uit het publiek merkt op dat de panoptische blik van Google ook gelijk staat aan macht, er is geen terugkijken mogelijk. Is dat nog een onderdeel van het onderzoek? Martine geeft aan dat dat op dit moment nog niet het geval is, maar wellicht komt dat in een later stadium aan bod.

WS3_Autonomie_Strook_7_MarcelWander

Marcel van Brakel en Wander Eijkelboom, beide docenten aan de opleiding CMD in Breda, gaan onderzoek doen voor hun artistieke project Synaptic Theatre door middel van een ‘Sensorial Body Research Lab’. Zij willen als ontwerpers de hersenen zelf als medium gaan gebruiken, om verhalen te vertellen door gedachten te manipuleren. In het verleden hebben ze een project Sense of Smell ontwikkeld, waarin geur als communicatiemiddel diende, en bijvoorbeeld Kadafi’s laatste minuten herbeleefd konden worden. Personen ervaarden een fysieke ervaring waarbij het hele lichaam werd geactiveerd, terwijl er eigenlijk alleen met geuren werd gewerkt. Samen met universiteiten, medici en het Steunpunt Mensgebonden Onderzoek van Avans starten zij een methode om te kijken hoeveel controle je kunt hebben op het ontwerpen van via het stimuleren van het brein.

Er wordt opgemerkt dat het begrip ‘verhaal’ veel wordt gebruikt, maar wat wordt daaronder verstaan? Het gaat eigenlijk vooral om een ervaring of een beleving en hoe dat als medicijn kan werken doordat het een gebied aanspreekt waar je cognitief geen controle over hebt. Marcel en Wander willen op zoek gegaan naar de juiste ‘grammatica’ om een verhaal / ervaring / beleving te kunnen ontwikkelen door middel van geuren en hormonen. Er zijn allerlei interessante vragen die het voorstel opwerpt en dwarsverbanden die de moeite van het verkennen waard zijn.

WS3_Autonomie_Strook_5_Erik

Gebruikerschap is het thema van Erik Hagoort, docent aan de Masteropleiding van AKV|St.Joost, die onderzoekt hoe je daar onderzoek naar kunt doen. De publicatie Usership van Stephen Wright voor het van Abbe museum dient als uitgangspunt om het vocabulaire aan te vullen. Maar Erik is zich ook bewust van de glibberigheid van de term ‘gebruikerschap’ en stelt zich de vraag hoe je gebruikerschap serieus kunt onderzoeken? Er ontstaan zo een boel vragen, die hij samen met een achttal docenten, studenten en alumni wil gaan verkennen in vijf bijeenkomsten. Dit proces moet resulteren in een digitale publicatie en een publieke bijeenkomst. Er wordt geen theoretisch model ontwikkeld of op zoek gegaan naar definities door andere begrippen er tegenover te zetten, zoals Wright doet. Eigenlijk wil Erik onderzoek doen op gebruikschappelijke wijze; dat wil zeggen onderzoek om te gebruiken, het produceren van gebruikerschap, gebruikers die inhoud genereren (users generated content) en ga zo maar door.

Er wordt gevraagd of deze methode vergelijkbaar is met Open Source? Jazeker, zoals gezegd wordt het onderzoek niet ingezet om tot een theoretisch model te komen. Eerder zal sprake zijn van een performatief karakter tijdens de bijeenkomst, een beetje vergelijkbaar met de benadering van Philippine, waarop het gebruikerschap wordt benaderd. Een andere vraag is dat in het Engels het gebruik (Users) bijna uitsluitend geassocieerd wordt met drugs en technologie, is dat nog een onderdeel van het onderzoek? Niet in eerste instantie, geeft Erik aan. Ook de historische ontwikkeling die iemand anders uit het publiek aanhaalt, vraagt waarschijnlijk meer tijd en blijft beperkt tot een vraag van een chronologie. Maar de verschuiving van gebruiker naar consument is zeker interessant.

De diversiteit aan onderzoeksvoorstellen laat zien dat er allerlei antwoorden mogelijk zijn op wat onderzoek kan zijn. Het blijkt waardevol om geïntroduceerd te worden aan de verschillende onderzoeken en deze gezamenlijk te voorzien van uitdagend en respectvol commentaar. Na de zomer worden de workshops voortgezet.


EKV – 2 februari – tweede docentenworkshop

maart 30, 2016

Beknopt verslag van de tweede bijeenkomst

door Sander Jongen, theoriedocent en studieloopbaanbegeleider Beeldende Kunst (BA) AKV|St.Joost

 

PowerPoint Presentation

Autonomie <–> Technologie <–> Autonomie <–> Technologie 

“Welkom in de wondere wereld van de …” was een befaamde uitspraak van Chriet Titulaer, die ik samen met een collega in herinnering riep tijdens de pauze van de tweede bijeenkomst van de workshopreeks Autonomie & Self-Governance. Titulaer was in de jaren tachtig van de vorige eeuw het gezicht van het Huis van de Toekomst, waar hij in zijn televisieprogramma allerlei nieuwe snufjes op technologisch gebied toonde. De baard zonder snor en het Nederlands met Limburgs accent maakte van Titulaer een onvergetelijke persoonlijkheid en daarbij de wetenschappelijk ontwikkeling begrijpelijk voor ons gewone stervelingen.

Technologie in relatie tot autonomie is het thema van deze bijeenkomst, georganiseerd door de lectoren Sebastian Olma en Michel van Dartel. Sebastian Olma houdt een voordracht vanuit zijn onderzoeksterrein Autonoom Maken, Michel van Dartel vanuit zijn lectoraat Mensgericht Creëren. Na afloop is er ruimte voor een vraaggesprek en het bespreken van de situatie binnen het onderwijs.

Ter introductie vermeldt Sebastian Olma enkele ‘hangovers’ van de vorige bijeenkomst op 10 november 2015. Hij geeft aan dat op donderdag 12 mei de volgende workshop met als onderwerp ‘onderzoek’ wordt gehouden. Er is het voornemen om voor een langdurige periode deze workshops in het schooljaar te organiseren. Ondergetekende zal betrokken zijn bij de organisatie en inhoudelijke ontwikkeling. Daarnaast is er een blogverslag over de eerste workshop gepubliceerd door Sebastian Olma op deze website. Uw reactie op deze en voorgaande bijdrage is welkom.

weblog_beeldverslag 2e workshop_strook1a_2fotos

Sebastian Olma

Dan de inhoud. Sebastian start zijn lezing met “Die Frage der Technik”. Hij vraagt zich af waarom er nog steeds geworsteld wordt met de vraag van technologie. De technologie heeft altijd te maken gehad met het voorstellen van het mystieke. Maar als je bekijkt hoe de toekomstperspectieven inzichtelijk gemaakt worden, zijn deze eigenlijk lachwekkend. Denk maar eens aan het internet in de jaren negentig, de robotica (maar ook Chriet Titulaer). Het deed mij denken aan het academische principe van het verbeeldingstekort. Wij mensen zijn alleen in staat om een toekomstvisie te bedenken, bijvoorbeeld in science fiction, vanuit het beperkte kader dat we uit de huidige stand van zaken kunnen bedenken.

In het boek TechGnosis (1998) van Erik Davis, waarin de mythische kant van technologie wordt uitgelegd als voortkomend uit de ingrijpende invloed die technologie op ons leven heeft, krijgt de technologie een welhaast ontologische eigenschap, als wezenlijk onderdeel van ons menszijn. In de filosofie verwees Sebastian daarvoor naar de Griekse mythologie  van Prometheus en Epimetheus. Prometheus, de vooruitdenkende, was degene die het vuur en de vaardigheid voor techniek heeft gestolen van de Goden, omdat zijn broer Epimetheus, de achterafdenkende, alle eigenschappen aan de dieren had gegeven en toen de mens aan de beurt was, er niks meer te vergeven was. De mens is daarmee tegelijkertijd een technologisch én een gebrekkig wezen. Hij is een prothetisch wezen, omgeven van technologie als protheses, maar ook een pro-thetisch wezen dat door de technologie evolueert. De kunst der techniek is een essentie van de mens, het creëert een milieu om zich heen om de eigenschappen die het zelf niet heeft; het ont-wikkelen. Zoals de mens kan zorgen voor zijn interne organen zo moet de mens ook voor deze externe organen zorgen, waarmee Sebastian wil zeggen dat technologie zorg vergt.

weblog_beeldverslag 2e workshop_strook1b_2fotos

Michel van Dartel

Na deze inspirerende uiteenzetting gaf Michel van Dartel, lector mensgericht creëren, een andere bijzondere focus rond technologie en autonomie toegespitst op de mediakunst. Hij ziet een tegenstelling in technologie, gedefinieerd als iets bruikbaars, van de dingen en van nut. Daar tegenover staat de autonomie, gedefinieerd als onafhankelijk en zichzelf bedruipend. De mediakunst behelst deze spanning in zich en valt te beschouwen in drie categorieën: technologie als medium, als toekomst, en als realiteit.

Met voorbeelden uit de geschiedenis van V2_instituut voor instabiele media, doorloopt Michel de mogelijkheden en beperkingen van deze drie gedachtes. Duidelijk daarbij werd dat technologische ontwikkelingen doorheen de afgelopen twintig jaar een gevarieerde focus heeft. Staan in de beginjaren productie en innovatie hoofdzakelijk centraal, bij het professionaliseren van dit profiel blijkt de commerciële spin off onhaalbaar te zijn door gebrek aan de noodzakelijke structuren voor financieel gewin. De voorbeelden maken volgens Michel duidelijk dat de focus van instituten als V2 veel meer kan en moet liggen bij het geven van betekenis aan de technologische innovaties en het bewerkstelligen van een reflectie hierop.

Door de profielwijziging naar Center for Artistic Expertise kreeg het instituut V2 andere vragen en interesses van kunstenaars en ontwerpers die het niet had verwacht. Michel zoomt in op het Institute for Human Activities, waarbij kunstenaar Renzo Martens Congolese plantage-arbeiders opleidt tot kunstenaars. Als kunstenaars deden de plantage-arbeiders direct hun vervreemding van het eindproduct van hun arbeid op de cacaoplantages teniet door zelfportretten van zichzelf in chocolade te laten maken. Echter, er zijn allerlei beperkingen bij de ex- en import van producten in Congo, waarvoor Martens V2 om hulp vroeg.

Kunstenaars en ontwerpers moeten niet proberen mee te dingen in de race voor technologische innovaties en commerciële toepassing, maar hebben eerder tot taak om als het geweten de ontwikkelingen te volgen en te becommentariëren.

Discussies

weblog_beeldverslag 2e workshop_strook2a

In de groepsdiscussie komt de ethische vraag aan bod: moeten ontwerpers een eed afleggen? De snelheid van technologische ontwikkeling veroorzaakt dat binnen de academies juist eerder de kritische positie geleerd wordt, in plaats van de zoveelste techniek. Onderzoek moet binnen de hogeschool altijd tot iets leiden, maar hoe staat dat tot de autonomie? Dat komt in de volgende docentenworkshop aan bod. De omgang met technologie is een van de aspecten van het menszijn.

Aan drie discussietafels wordt besproken hoe technologie in de opleiding ingebed is en waar het ideaal ligt. Bij CMD Den Bosch werd geconstateerd dat de vraag naar manieren van inbedden, of het formuleren van een ideaal, helemaal niet speelt. Er werd allereerst uit gegaan van een ontwerpproces waarbinnen de technologie eigenlijk altijd onderdeel vormt van het realiseren van een geschikt ontwerpresultaat, waarbij ten tweede ook altijd technologische experimenten plaatsvinden waar in vrije vorm bepaalde technieken worden ontdekt en geleerd. Wat prikkelend werd daarom als laatste met trots gesteld dat er geen sprake is van een kritische houding tot technologie in algemene zin en dat technologie de ontwerper dient. Ondanks dat een meer algemene bezinning op technologie overigens wel plaatsvindt in bijvoorbeeld projectbegeleiding en in een module over ethiek.

weblog_beeldverslag 2e workshop_strook4b

Bij CMD Breda is er een beweging van oplossingsgericht naar authentiek ontwerpen. De technologie is bijkomstig, maar zit wel overal in. Nadruk ligt op het experiment en reflectie (testen en maken). Probleem is dat dat aspect niet terug te vinden is in het eindexamen, dat vaak nog (te) voorzichtig is door allerlei factoren en zou het expliciet maken van de kritische reflectie nog meer gecommuniceerd moeten worden.

AKV|St. Joost heeft twee ontwikkelingen. Bij beeldende kunst wordt technologie ingezet om een deel van het menszijn te bevragen, maar het is de vraag hoe je hier geen incidentele aandacht van maakt. Bij vormgeving is technologie nu hoofdzakelijk nog een toepassing en wordt gekeken naar kritische houding, maar er is ook een vraag naar vaardigheden. Studenten moeten leren wat ze zelf kunnen en wanneer ze een expert moeten inschakelen. De template-cultuur van veel media brengt het makersschap onder druk en vraagt een andere manier van denken.

Er zijn blijkbaar al wel incidenteel samenwerkingsvormen gerealiseerd tussen CMD’s en AKV om zo elkaars expertise in te zetten, maar op organisatorisch vlak is dit nog niet gemakkelijk tot stand te brengen. Door ‘free space’ expliciet in het nieuwe curriculum in te plannen behoud je ruimte voor creativiteit en experiment.

weblog_beeldverslag 2e workshop_strook3-hoogteaangepast

Ter afsluiting werd duidelijk dat elke academie op een eigen manier omgaat met de technologie in het onderwijs. Het moet geen streven worden om die verschillen uit te vlakken, maar het is wel goed om op de hoogte te zijn van elkaars vragen en aanpak en een mogelijke uitwisseling van ervaringen tot stand te brengen.

De volgende workshop over ‘onderzoek’ staat gepland op donderdagmiddag 12 mei.
Dit is een besloten bijeenkomst. Deelnemers worden uitgenodigd op voordracht van de opleidingscoördinatoren.


EKV/AM – 10 nov – workshop Autonomie

november 25, 2015

Beknopt verslag van de bijeenkomst door Sebastian Olma

Dinsdag 10 november organiseerde het lectoraat Autonoom Maken de eerste van drie geplande workshopmiddagen Autonomy & Self-Governance. Er waren ruim 25 docenten aanwezig van de drie aan dit lectoraat deelnemende academies (AKV|St.Joost, CMD Breda en CMD Den Bosch). De motivatie voor de workshop kwam vanuit de gedachte dat het begrijp autonomie om een vernieuwde en actuele invulling vraagt. Waarbij die vernieuwing van het begrip ook een conceptueel platform zou kunnen bieden voor een wederzijds bevruchtende dialoog tussen de kunst- en ontwerpopleidingen van Avans Hogeschool.

beeldverslagworkshopautonomie_1

Gegeven de uiteenlopende interpretaties van het begrip autonomie – enerzijds binnen de kunsten en anderzijds tussen kunst- en ontwerppraktijken – zou men een dergelijke workshop gerust een gedurfde onderneming mogen noemen. Het staat of valt met de bereidheid van de deelnemers om met een open vizier naar elkaar te luisteren en te accepteren dat er verschillen zijn in de interpretatie omtrent de theorie en praktijk van autonomie. Mijn indruk als dagvoorzitter was dat deze basisvoorwaarden bij de deelnemers van de workshop in hoge mate aanwezig waren en dat we daardoor tot uiterst inspirerende discussies kwamen. We kwamen uiteraard niet in een middag tot een resultaat of einddoel, maar we zijn wel gezamenlijk op de goede weg.

Presentaties en discussies

Beeldende Kunst (AKV|St.Joost)

De middag begon met een presentatie van Rob Leijdekkers, docent bij de Beeldende Kunst opleiding (BK) van AKV|St.Joost. Rob presenteerde de tussentijdse opbrengst van het lopende discussieproces in het kader van de curriculumhervorming BK die in september 2016 in de opleiding geimplementeerd wordt. Volgens Rob (en zijn collega’s van de vernieuwings-commissie) is het noodzakelijk om afscheid te nemen van het idee dat artistieke autonomie vanuit een positie buiten de maatschappij bereikt kan worden. Tegelijkertijd verdient ook het romantische individualisme, het idee van de autonome kunstenaar die op zoek gaat naar zijn innerlijke essentie, een laatje in het historisch archief. De vraag is vervolgens: hoe geef je het begrip autonomie een nieuwe lading? Ofwel: hoe definieer je de specifieke bijdrage van de kunst aan de maatschappij?

In plaats van een poging een pudding aan de muur te spijkeren door autonomie direct te herdefiniëren hebben de BK-docenten een meerdimensionale strategie bedacht waarmee zij trachten het begrip autonomie pedagogisch te omcirkelen. Concreet hebben zij een aantal belangrijke dimensies benoemd van waaruit men naar een moderne vorm van autonoom kunstenaarschap toe kan werken. Onder andere gaat het om de algemene vaardigheid van de kunststudent om met haar/zijn werk een bewuste relatie met ‘de wereld’ aan te gaan; in staat te zijn om zich binnen de heersende kunstdiscoursen te positioneren; keuzes te kunnen maken ten opzichte van media en materialen; of ‘koppig’ genoeg te zijn om strategieën te kunnen ontwikkelen voor het artistiek herdefiniëren of herconstrueren van kunstvreemde processen en objecten. De implementatie van deze aanpak is gericht op een sensibilisering van de student die zich duidelijk onderscheidt van de benadering van autonomie in het klassieke kunstonderwijs.

Tijdens de discussie werd duidelijk dat er binnen Avans, maar ook binnen de kunstacademie waar dit gedachtengoed ontwikkeld wordt geen gebrek is aan levendig debat als het gaat om de ideale strategieën voor deze gewijzigde sensibilisering. Men is het er echter over eens dat de studenten de ruimte moeten krijgen om op de verschillende dimensies te kunnen experimenteren. En dat deze ruimte in het onderwijs zowel veilig als uitdagend voor hen moet zijn.

beeldverslagworkshopautonomie_2

CMD Den Bosch

Over het creëren van ruimte voor autonomie in het onderwijs ging ook de presentatie van Eke Rebergen, docent bij CMD Den Bosch. De vraag die meteen opkwam is in hoeverre autonomie en ontwerpen gerelateerde begrippen zijn. “Als ontwerpen begrepen wordt als het ‘oplossen van problemen’, dan lijkt het dus erop dat er niet echt behoefte is aan autonomie binnen de designpraktijk” stelde een van de deelnemers. Eke was het hier niet mee eens. Volgens hem is autonomie een onmisbaar element van elk ontwerpproces, waardoor autonomie dus ook in alle ontwerpopleidingen een plaats moet hebben. Hij pleitte ervoor om het autonome in de ontwerppraktijk te zoeken daar waar de identiteit van de ontwerper zichtbaar wordt: in het stukje waar de persoonlijke praktijk niet vorm wordt gegeven door opdrachtgedreven probleemstelling en criteria. De ruimte dus waar een ontwerper zijn eigen specifieke manier van “het oplossen van problemen” (esthetisch, procesmatig, politiek, etc.) toepast. Eke sloot zijn bijdrage af met drie leerzame voorbeelden vanuit zijn eigen praktijk als docent bij CMD Den Bosch waarin deze– misschien niet voor alle deelnemers voor de hand liggende – benadering van autonomie binnen het ontwerponderwijs werd zichtbaar gemaakt.

 

CMD Breda

Frederik Duerinck, docent bij CMD Breda trok de lijn uit Eke’s betoog door, maar probeerde nog sterker te laten zien hoe zijn opleiding beginnende studenten op de zoektocht naar hun eigen stem stuurt. Volgens Frederik is autonomie “een middel om authentiek te zijn”. En deze authenticiteit-scheppende autonomie wordt bij CMD Breda gewaarborgd door voor beginnende studenten behoorlijk strikte werkkaders te creëren. Er was zelfs sprake van “bootcamps” en “shock and awe” aanpak. Begrippen die naderhand voor een controversiële discussie zorgden. Echter; de essentie van deze (voor sommigen wat onvriendelijk benoemde) strategieën is dat binnen de opleiding duidelijke parameters geschapen worden waarin de beginnende student de ruimte krijgt om inhoudelijk te experimenteren. De vraag die ik me hierbij stel is of het mogelijk is om een verbinding te leggen naar het idee van autonomie als iets dat ook inhoudelijk kan (en moet) georganiseerd worden. We gaan – zo hoop ik – de discussie hierover voortzetten in een volgende workshop.

 

Vormgeving/ontwerpen (AKV|St.Joost)

De laatste presentatie op deze workshopmiddag werd gegeven door Petr van Blokland, docent grafisch ontwerp zowel in het Bachelor- als in het Masterprogramma aan AKV|St.Joost. Zijn bijzondere aanpak in autonomie in onderwijs is programmatisch in de ware zin des woords: voor Petr is autonomie verbonden met de vraag van het vinden van het juiste algoritme voor het relevante creatieve proces. Hij is voorstander van een procesmatig besef van ontwerpen en gaat ervan uit dat elk creatief proces als een traject afgebeeld kan worden dat – gegeven het juiste abstractieniveau – dezelfde stappen moet doorlopen. “Het gedeelte van je proces, dat aan het programma of het algoritme ontsnapt is waar de autonomie ligt,” zegt Petr en hoewel ik hem heel graag wil geloven snap ik het nog niet helemaal. Uiteraard ligt dit helemaal aan mij: ik zie algoritmes en autonomie nu nog als een soort natuurlijke vijanden, wat natuurlijk helemaal niet het geval hoeft te zijn. Ik hoop dat ik er toch nog kom – misschien met de hulp van het juiste algoritme… Wat ik trouwens wel snapte was Petr’s verwijzing naar het verschil tussen BA en MA studenten ten opzichte van autonomie. Hoewel je als docent de eerste groep moet steunen bij het vinden van hun positie, pad en (in zekere zin) doel kan je bij de tweede meer optreden als een stoorfactor. Ook dit lijkt me een uiterst interessante opmerking vooral in relatie tot de uitspraken van Rob Leijdekkers en Frederick Duerinck…

beeldverslagworkshopautonomie_3

Discussietafels

Aan het einde van de dag gingen de verschillende docentengroepen per academie in overleg om te bespreken in hoeverre de gegeven presentaties en discussies invloed hadden op hun eigen besef van autonomie en wat er van andere opleidingen geleerd kon worden. De gespreksresultaten van de verschillende tafels zijn door deelnemer Geert Gooskens verzameld en opgetekend:

 

Beeldende Kunst (AKV|St.Joost)

De opleiding pleit voor een strenger begripsgebruik: men wil authenticiteit, autonomie en creativiteit los van elkaar definiëren.

Geleerd van andere opleidingen:

  • Autonomie als onderwijsvorm: niet alleen reageren op wat wordt gevraagd maar eigen benaderingswijze en eigen voorwaarden bepalen.
  • Jezelf bevragen is belangrijk: aannames aanscherpen door vragen als “How do you know?”.
  • “Verstoring” als prikkelend begrip. Blikveld van studenten verruimen door ideeën en aannames waarmee ze binnenkomen onder druk te zetten.
  • Mogelijke valkuil is: “Ik, de docent, weet wat goed voor jullie is.” (Wat dan weer haaks staat op het idee dat de student autonoom mag zijn.).

CMD Breda

Vier stellingen:

  • Autonomie is te trainen.
  • Curriculum moet gericht zijn op reflectie op eigen processen en methodes.
  • Differentiëren in het curriculum, zodat je niet allemaal dezelfde mensen aflevert. Hier zit een spanning. Onderwijs organiseren is structuren optuigen waarin studenten terecht komen. Kun je een structuur optuigen die de student autonoom maakt? Of is dit een contradictio in termini? Er lijkt een spanning tussen onderwijs als gestructureerd, georganiseerd gegeven en ruimte geven voor het ontstaan van autonomie.
  • Bachelors moeten zichzelf uitvinden. Masters ontwikkelen modellen die het beroep vooruit helpen.

CMD Den Bosch

  • Behoefte aan verheldering van begrippen voordat we kunnen inschatten of autonomie voor onze opleiding van waarde is. Interne discussie bleef daardoor hangen in definities.
  • Oplossing voor deze impasse: bottom-up werken → observeren wat we in de praxis van studenten als autonoom beschouwen en ze dat ook voor zichzelf laten ontdekken. Voor de één is autonomie een eigen visuele stijl ontwikkelen, voor de ander ingaan tegen dominante culturele waarden.

Vormgeving/ontwerpen (AKV|St.Joost)

  • Autonomiebegrip: de ontwerpopleidingen (grafisch ontwerpen., fotografie, illustratie, ruimtelijk ontwerp, etc.) willen niet één autonomiebegrip, maar roepen wel op tot strenger gebruik van de begrippen. Niets als doel op zich, maar om ook in de praktijk de juiste vragen aan studenten te kunnen stellen en het begrip autonomie in te kunnen zetten zonder het uit te hollen.
  • Toekomstgericht: autonome student opleiden die niet alleen nu kan functioneren, maar zich ook kan redden in een toekomst die er qua technologie en markt anders uitziet.

Een tweede bijeenkomst

Op dinsdag 2 februari 2016 staat een vervolgbijeenkomst gepland. Die zal enerzijds worden ingevuld door voort te bouwen op verzamelde inzichten en discussiepunten. Maar vertrekpunt van deze tweede middag is het inbrengen van een nieuw element in de discussie rondom autonomie. Het hoofdthema is daarom relatie tussen technologie & autonomie. We leggen daarbij ook een verbinding met het tweede EKV-lectoraat Mensgericht Creëren en nodigen lector Michel van Dartel erbij uit.